81 ART. 3. Uitzonderingen. Het verbod vervat in artikel 2 is niet van toepassing le. Op aankondigingen ter voldoening aan een wettelijke verplichting, met dien verstande, dat in de wet genoemde minimum maten niet worden overschreden. Zijn van Overheidswege, in gevallen als in lid 1 omschreven, geen maten vast gesteld, zoo zullen de maximum afmetingen zijn: oppervlakte 0,25 M.2, en een maximum afmeting in eene richting van 1 meter. 2e. Op aankondigingen, welke zijn aangebracht .ter uitoefening van een wettelijk toegekende bevoegdheid, mits deze aankondigingen geen grootere oppervlakte hebben dan 0,25 M.2 en een maximum afmeting in eene richting van 1 M. 3e. Op aankondigingen, betrekking hebbende op den dienst, het beroep of bedrijf, welke of hetwelk in of op het onroerende goed wordt uitgeoefend, of waarvoor het onroerend goed is aangelegd, of op de bewoning daarvan, mits de gezamenlijke grootte van deze aankondigingen geen grooter oppervlakte hebben dan 0,1 M2. 4e. In zoover het betreft aankondigingen van kennelijk tijdelijken aard, gedurende den termijn, waarvoor deze feitelijke beteekenis hebben en welke niet langer mag zijn dan veertien dagen en niet grooter zijn dan 0,75 M2. 5e. In zoover de Commissaris der Provincie vrijstelling van het verbod heeft verleend overeenkomstig het in artikel 4 bepaalde. 6e. In zoover het geldt, opschriften of afbeeldingen in het deel van een gebouw, hetwelk als winkel en (of) als hotel-, café- en restaurantbedrijf wordt gebruikt. 7e. Op per 1 Januari 1942 reeds aanwezige aankondigingen, opschriften of af beeldingen, voor den duur van twee jaren na de vaststelling dezer verordening. ART. 4. Vrijstelling. De vrijstelling bedoeld in artikel 3, 5e lid wordt door den Commissaris der Provincie, den Burgemeester gehoord, alleen dan verleend, wanneer hierdoor naar zijn oordeel de schoonheid van de omgeving waarin het opschrift, de aankondiging of de afbeelding voorkomt, niet zal worden geschaad. Aan de vrijstelling kunnen voorwaarden verbonden worden: zij kan te allen tijde worden ingetrokken. Wordt gehandeld in strijd met de voorwaarden, dan wordt de vrijstelling geacht niet te zijn verleend. ART. 5. Wijze van meten. De afmetingen van een opschrift, aankondiging of afbeelding worden gemeten langs den buitenomtrek daarvan, inbegrepen den onder grond of achtergrond, welke kennelijk tot het opschrift, de aankondiging of de afbeelding behoort. ART. 6. Antennes en andere uitsteeksels. Het is den eigenaar of gebruiker van eenig onroerend goed verboden daarop of daaraan een van buiten dat onroerend goed zichtbare antenne of een daarmee in verband staand voorwerp of eenig ander uitsteeksel te hebben, wanneer door deze antenne of dit voorwerp of uitsteeksel, de schoonheid van het gebouw zelf (of) van de omgeving naar het oordeel van den Commissaris der Provincie wordt geschaad. Het verbod is niet van toepassing op uitsteeksels ter voldoening aan een wettelijke verplichting. ART. 7. Kleur. Een bouwwerk of een gedeelte van een bouwwerk mag niet van zoodanige kleur zijn, dat daardoor de schoonheid van de omgeving naar het oordeel van den Commissaris der Provincie op ernstige wijze wordt geschaad. ART. 8. Verwaarloozing van ongebouwd onroerend goed. Het is den eigenaar of gebruiker van eenig ongebouwd onroerend goed verboden dit goed zoodanig te verwaarloozen, in onvoldoenden staat van onderhoud te hebben, te gebruiken, of

Periodieken van Erfgoed Vereniging Heemschut

Heemschut - Tijdschrift 1924-2023 | 1942 | | pagina 7