HEEMSCHUT 5 tarwehalmen buigen, diep buigen voor het technisch wonder, dat den halven aardbol omvoer, vastberaden de hooge golven doorklievend als bewijs van de kennis en den durf der menschen. Toen het gevaarte voorbij was en in de verte verdween, omstuwd door een zwerm witte meeuwen wist ik, dat techniek en natuur niet vijandig behoeven te zijn, mits maar eerst het verstand en dan het spraakvermogen zijn beurt krijgt. Mijn vriend stak zijn hand uit en zei: „Ik ben blij dat je zoo spreekt; laat mij nu eens wat zien van die wondere natuur, waar ik eigenlijk nooit eerder aan dacht." En zoo is het gekomen dat ik kans kreeg de belangstelling voor de vrije natuur, die als een klein vonkje gloeide in zijn hart, aan te blazen tot een vlam die hem zijn verder leven weldadig koesterde. Het is laat in het voorjaar en het loopt tegen den avond. Aan den rand van het hakhout staat onze tent. Voor ons de heide, golvend blauwgrijs landschap, in de verte samensmeltend met-de vage kleuren van de lucht. Het dorre blad in het hakhout achter ons ritselt zacht, telkens wanneer de wind zijn zachte stem verheft. De vogels houden zich stil; hoog in de lucht wieken geruischloos eenige roeken voort, die in een nabijgelegen boomgroep hunne nesten hebben. De viervoeters blijven verborgen, schuw wachtend tot de duisternis hen aan het oog hunner talrijke vijanden onttrekt. Alleen de insectenwereld zingt zachte liederen, liederen die aan een weemoedig, ver verwijderd neuriën van een vermoeid schepsel doen denken. Van menschen, geen spoor te ontdekken. Wij zijn alleen en te ver van de bewoonde wereld om de geluiden der menschen te hooren. (Er zijn nog van die plaatsen, waar het menschen- geraas niet doordringt, maar ze zijn te zeldzaam om. te verraden.) In het westen hangt een grauwe wolkenbank boven den horizon, en niet lang duurt het of schichten van vuurrood licht schieten naar beneden- ten teeken dat de zon zich ter ruste gaat begeven. Ze omlijnt de laag hangende wolken met gouden randen, toovert een zacht rose licht om de witte schapenwolkjes die hoog in de lucht drijven en zakt nu langzaam van achter haar schuilplaats. Als een roode kogel staat ze thans aan den gezichtseinder en overgiet het landschap met een gouden gloed. De vogelwereld heeft er op gewacht. Een laatste groet brengen ze aan de bron van alle leven. De zwarte roeken met hun thans roodglanzend gevederte krassen hun onheilspellenden groet, de beide regenwulpen die op een verborgen plek in de heide hun viertal eieren bewaken, stuiven nu laag over de oppervlakte en fluiten hun meewarige toonen, nog even hooren we het bedrijvig piepen der meezen en goudhaantjes. In het hakhout verscholen zingt een roodborstje zijn eenvoudig liedje, rond scharrelend tusschen de twijgen der- eiken, waarbij het zijn groote, donkere Mussolini-oogen, strak op de beide menschen gericht houdt. Dan komt de ceremoniemeester die eiken avond het sein geeft voor het ter ruste gaan. Het is de lijster. Zonder veel omhaal vliegt hij recht naar den top van een spar, zoodat hij goed kan zien wat er rondom gebeurt, en dan begint hij een lied dat past bij de plechtige omgeving. Ver weg is zijn rollend lied te hooren en het is alsof de andere vogels zwijgen om aandachtig te luisteren en van meesterzanger te leeren. Telkens beweegt hij zijn kopje heen en weer, kijkt naar beneden, kijkt naar boven, terwijl de roode zonnekogel lager en lager zakt en met zijn roode stralen de veeren van den zwarten zanger doet tintelen in een rossig licht.

Periodieken van Erfgoed Vereniging Heemschut

Heemschut - Tijdschrift 1924-2023 | 1931 | | pagina 5