OVER TECHNIEK EN NATUUR HEEMSCHUT 3 Er waren jaren voorbij gegaan voor ik mijn vriend opnieuw ontmoette. En al die jaren had hij gezworven de geheele wereld over, als vertegenwoordiger van een groote handelsonderneming. Hij had altijd een voor indrukken gevoelig hart gehad en, toen we voor het eerst weer samen waren voelden we beide, dat de twee oude schoolvrienden twee geheel verschillende menschen geworden waren. En dat speet ons, al zeiden we het niet. Hij, opgegroeid in verwondering voor 's menschen vernuft, opgetogen over wat hij in de oude en nieuwe wereld gezien had. Ik, groot geworden in de vrije natuur, steeds weer overpeinzend de wijding die uitgaat van elk schepsel dat ademt in onze bosschen en heidevelden, genietend de volheid van het leven daarbuiten, waar alles en alles van Gods grootheid getuigt. Was het wonder, dat we na onze eerste begroeting even zwegen, voelend dat we anders waren dan vroeger? Maar daarna riep hij gul: „Kerel, je had met mij mee moeten gaan, de wijde wereld in! Je had met mij de zee moeten oversteken op een stoomer, grooter en mooier dan het beste hotel. Was eens mee gaan kijken naar de hooge huizen in New-York, die hooger zijn dan de torens in jullie dorpen. Je had ze moeten zien, de menschen in de havens en in de fabrieken, waar duizenden zwoegen en zweten temidden van stoom en lawaai, bij het ratelen van kettingen, bij het donderend beuken van staal op staal! Daar heerscht het vernuft, daar viert de menschelijke geest oppermachtig hoogtij, daar zwaait de Heer der Schepping den scepter Daar kunt ge zien, dat hij alles kan, hoe nietig overigens. En wat hij nu nog niet kan, zal hij kunnen in afzienbaren tijd. Nog is hij niet aan het einde zijner 'vindingen. Sneller en sneller zullen ze gaan, zijn treinen, zijn auto's, zijn booten en zijn vliegtuig. Afstanden zullen er niet meer zijn en elke seconde van de eeuwigheid zal door hem worden benut in het belang van de samenleving Dat, kerel, zou je geleerd hebben, wanneer je had meegezworven. De wetenschap heeft tal van factoren, die het leven der menschen moeilijk of onmogelijk maakte, uitgeschakeld. Waar de mensch vroeger niet zijn kon, huist hij thans met groote gezinnen. Ziekten en pestilenties die hem in vroeger jaren teisterden en deden uitsterven, zijn deels overwonnen; zijn huizen zijn luchtig en ruim, land en zee, de lucht daarboven, de schatten diep in de aarde verborgen, alles begint hij aan zich dienstbaar te maken. Hij is bezig niet alleen het hoogste maar ook het talrijkste schepsel der aarde te worden. En om dit mogelijk te maken moet hij denken en werken, moet hfj niets, wat de aarde hem biedt, ongebruikt laten. Dat is vooruitgang, mijn waarde, beschaving, techniek van de edelste soort!" En schuchter waagde ik het hem te vragen: „Als alles nu in dienst van den mensch is gesteld, wat dan? Zal hij dan gelukkiger zijn? Hoe zal hij zich voelen als Moeder Natuur eens bij hem aanklopt om voor hare kinderen, de planten, de dieren, een goed woordje te doen? Dan zat hij tot de ontstellende ontdekking komen dat er voor Haar geen plaats meer is in zijn hart. De Heer der Schepping zal tot de ontdekking komen, dat er geen Schepping meer is. En hij zal, moe van het denken en werken, zich in wanhoop afvragen: Wat nu? Ligt de ware beschaving altijd op het gebied der techniek, daar, waar voor jullie „vooruitgang" is?" O

Periodieken van Erfgoed Vereniging Heemschut

Heemschut - Tijdschrift 1924-2023 | 1931 | | pagina 3